op

preposition

på, upp

  1. aan de bovenkant aanrakend, rustend op, zich bevindend te

  2. in de buurt van: dicht op elkaar

  3. gelijktijdig met: op dat moment

  4. op enig moment gedurende: op een dag

  5. dragend als schoeisel: op blote voeten, op voetbalschoenen

  6. met gebruik van

  7. per (als bepaling van verhouding): 15 op de 100, de auto rijdt 1 op 10. mijl op zeven

  8. met een specifieke waarde

  9. in een toestand met

  10. aanwezig op een bepaalde plaats

  11. (Belgisch-Nederlands) bij (tussen twee getalswaarden die lengte en breedte aangeven)

Myndigheter & officiella källor

Relevanta myndigheter och officiella källor för ämnet:

Relaterade källor

Relaterad bevakning och fördjupning finns hos bland andra: