door

preposition//ˈdoːr//

genom, igenom

  1. de handelende persoon bij een lijdende vorm

  2. de oorzaak

  3. in

  4. tijdens, gedurende

  5. doorheen, binnenin van de ene kant naar de andere kant

  6. doorheen, aan de ene kant naar binnen en aan de andere kant naar buiten

  7. als achterzetsel: doorheen, van de ene kant naar de andere kant, aan de ene kant naar binnen en aan de andere kant naar buiten

  8. als achterzetsel: van het begin tot het einde, gedurende

  9. door ... te + infinitief; de procedure die gevolgd wordt om het doel te bereiken

  10. de ene stof is door de andere gemengd

Myndigheter & officiella källor

Relevanta myndigheter och officiella källor för ämnet:

Relaterade källor

Relaterad bevakning och fördjupning finns hos bland andra: