door
preposition//ˈdoːr//genom, igenom
de handelende persoon bij een lijdende vorm
de oorzaak
in
tijdens, gedurende
doorheen, binnenin van de ene kant naar de andere kant
doorheen, aan de ene kant naar binnen en aan de andere kant naar buiten
als achterzetsel: doorheen, van de ene kant naar de andere kant, aan de ene kant naar binnen en aan de andere kant naar buiten
als achterzetsel: van het begin tot het einde, gedurende
door ... te + infinitief; de procedure die gevolgd wordt om het doel te bereiken
de ene stof is door de andere gemengd